Hee. Psst. Ja jij daar! Kijk eens naar me. Nee, nu kijk je te hoog! Je moet lager kijken. Ja juist, daar sta ik. Zie je me? Ik zwaai naar je!

 

muis1Ja, je ziet het goed. Ik ben een muis. En ik woon hier met mijn familie in de Nicolaaskerk. Ik ga natuurlijk niet vertellen waar ons nest is, want zo onnozel ben ik niet. Voor je het weet staan er vallen en menig oom en tante zijn we zo al kwijt geraakt. Het is genoeg dat je weet dat ik er ben. En wat meer is: dat wij er zijn. Wij zijn de kerkmuizen en ik ben Joachiem. Ik vind het zelf wel een heel lange naam en een mond vol, maar mijn moeder vond het zo mooi. Mijn moeder bedoelt het goed, maar ach, nou ja, je weet hoe moeders zijn. Elke keer als er in de kerk gedoopt wordt, pinkt mijn moeder een traantje weg en zegt dan dat ik ook zo schattig en klein was. Schattig en klein. Dat probeer ik nu al tijden te vergeten dat ik dat was. Ik ben bijna een volwassen muis en mijn moeder wil mij nog steeds een sjaal om doen. Omdat ik zo bevattelijk ben. Zegt ze.

Ze behandelt me als mijn kleine zusje. Maar daar wil ik het later nog eens met je over hebben. Ik wilde me nu vandaag aan je voorstellen en ik houd je op de hoogte wat wij als familie in de kerk zoal meemaken. Vast nog veel meer dan jij in de kerk ziet. Wij wonen er.

Laatst hadden we zo’n goede zondag. Er waren allemaal lieve dames die in de kerk bleven nadat iedereen was weggegaan. Ze praatten en lachten en er was advocaat en ze aten taart. Toen dat op was gingen ze met zijn allen naar de consistorie en daar hadden ze soep, eiersalade en brood. Dat rook ook heerlijk maar mijn moeder zei dat je dat moest eten wat de pot schaft. Dus we hebben ons tegoed gedaan aan de taartkruimels die er lagen in de kerkzaal. Oom Alfons stond op de uitkijk en zei dat het er in die kamer heel gezellig aan toe ging. En dat er best nog wat meer mensen mochten komen lunchen. Dat juichen wij als muizen zeer toe!

Het enige jammere was dat er van de soep en de eiersalade en het brood niets over was. Te lekker gewoon! En wat nog jammerder was, was dat die dames veel te nette opruimers waren. Er stond me na die lunch toch een afwas! Wij wreven ons in de handen: daar zou nog wel wat van afvallen. Nou nee, helemaal niks. Alles keurig opgeruimd. Moeder zei dat we blij moeten zijn met wat er wel was. Ze zei dat de dominee dat ook altijd zegt.